Menu  |  Nieuws  |  Ligging  |  Over deze site  |  Contact  |  Logo  

Geschiedenis
Abt Ildephonsus Meugens 1792 en afschaffing abdij 1 september 1796

De laatste abt van Vlierbeek, Ildephonsus Meugens, werd geboren in Oorbeek (Tienen) in 1750. Zijn vader pachtte er een hoeve, eigendom van de abdij van Vlierbeek. Zijn afkomst als boerenzoon belette Meugens niet in te treden in de abdij en op te klimmen tot abt van de benedictijnen van Vlierbeek. De monniken verkozen hem tot het hoogste ambt op 12 juni 1792. Ruim een maand later, op 30 juli, werd hij in Vlierbeek tot abt gewijd.

 

Bij de aanstelling van Abt Meugens werd hem een lofdicht aangeboden. Het gedicht was opgevat als een biografie van de abt waarin uitbundig zijn lof werd gezongen. De tekst was verlucht met het wapen en devies van de prelaat, lauwerkronen, bloemen en vruchten; in twee medaillons is het zaaien en oogsten uitgebeeld, enerzijds een zinspeling op de boerenafkomst van deze overste, en anderzijds een omzetting in beeld van zijn devies: Pulchritudo agri mecum ("De schoonheid van het veld weze met mij").

 

Helaas wachtten Meugens en de abdij van Vlierbeek al snel grote uitdagingen. In 1794 vielen de Fransen voor de tweede maal de Zuidelijke Nederlanden binnen en versloegen het Oostenrijkse leger. De Vlierbeekse religieuzen vluchtten naar Düsseldorf, waar ze over een refuge beschikten. Ze werden in augustus 1795 op bevel van de Fransen verplicht naar Vlierbeek weer te keren, of hun bezittingen zouden worden verbeurd verklaard. De terugkeer was van korte duur. Wegens de officiële afschaffing van alle kloosters door een algemene maatregel van de Franse overheden op 1 september 1796, hield de abdij op te bestaan. De Vlierbeekse monniken verzetten zich echter koppig. Daarom werden ze op 11 januari 1797 met militair vertoon verdreven.

 

Zoals de meeste andere kloosters in de Zuidelijke Nederlanden werd de abdij door de Fransen te gelde gemaakt. De roerende goederen boden ze op 17 maart 1797 te koop aan. Ze moesten de kunstwerken selecteren, met de bedoeling de meest waardevolle naar Parijs te zenden. De onroerende bezittingen werden opgedeeld in niet minder dan 168 kavels. De eerste kavel omvatte de abdij zelf, de tweede de gronden daar omheen. De overige loten hadden betrekking op landerijen en landbouwuitbatingen in een wijde omgeving.

 

De abdij werd op 26 april 1798 openbaar verkocht. Ze werd eigendom van Jean Bourdon, een Parijzenaar. De omliggende landerijen kwamen in handen van Jan Antoon de Becker uit Leuven. Die kocht kort daarop de abdijgebouwen van Bourdon. De abdij was in goede handen. Jan Antoon de Becker was de broer van één der monniken en handelde in hun opdracht, in de vaste overtuiging dat het Franse regime niet lang zou standhouden en de abdij weldra kon hersteld worden. Inderdaad, na het Concordaat van Napoleon in 1801, keerden abt Meugens en enkele monniken weer, doch de herinrichting van het kloosterleven bleek, zoals voor veel andere religieuze gemeenschappen, onmogelijk, vooral wegens het ontbreken van materiele middelen.

 

In 1803 werd de oude abdijkerk opnieuw in gebruik genomen. Meugens kon opnieuw voorgaan in de misvieringen. Meugens dient dan ook niet enkel herinnerd te worden als de laatste abt van Vlierbeek, maar tegelijk als de eerste pastoor van Vlierbeek. Hij stond zo aan de wieg van de huidige parochie van Vlierbeek. Drie jaar later, in 1806, overleed Meugens en werd hij op het kerkhof van Vlierbeek begraven. Zijn epitaaf bevindt zich in de kerkhofmuur achter de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. 

 

In 1809 en 1815, ten tijde van de oorlogen tegen Napoleon, diende de abdij als militair hospitaal. In 1827 stichtte Willem I (1772-1843), koning der Nederlanden, de gemeente Kessel-Lo, samengesteld uit de gehuchten Kessel, Lo en Blauwput. Jan Antoon de Becker schonk de voormalige abdijkerk, die nog steeds in zijn bezit was, aan de Mechelse aartsbisschop, F.-A. de Méan, met de bedoeling ze als zelfstandig parochiecentrum voor de nieuwe gemeente in te richten. De aartsbisschop verhief daarop, op 14 september 1830, het bedehuis tot parochiekerk. Een kerkfabriek werd geïnstalleerd. Bij beslissing van Willem I werden de grenzen van de nieuwe gemeente en parochie officieel vastgelegd. De band met het verleden werd door het pas aangestelde gemeentebestuur herkend door de overname van het zegel van de abdij als gemeentewapen. Het eerste gemeentehuis en schooltje van Kessel-Lo werden in de abdijgebouwen ingericht.

 

In 1837 stond Jan Antoon de Becker de rest van de gebouwen en de tuinen af aan de kerkfabriek. De omringende landerijen die tot het oorspronkelijke domein behoorden, maakte hij over aan het aartsbisdom Mechelen om met de opbrengst ervan studiebeurzen te stichten. De jonge kerkfabriek had het niet gemakkelijk. De abdij had tijdens de voorbije decennia veel geleden en herstel was dringend noodzakelijk. Om over de nodige middelen te beschikken verhuurde de kerkfabriek van bij de aanvang de meeste abdijgebouwen aan particulieren.

 

Klik op de foto's om ze te vergroten.

Tekening; gekleurd; 106 x 72 cm.
Proces-verbaal van de openbare verkoop van de abdij op 26 april 1798
Abt Ildephonsus Meugens (1792-1797). François Xavier Joseph Jacquin, 1792, Privébezit.
Koning Willem I. Joseph Paelinck, 1819.

Deel deze pagina