1125 - Het domein Vlierbeek

In 1125, toen Leuven zich volop tot een stad ontwikkelde, schonk Godfried met de Baard, graaf van Leuven en eerste hertog van Brabant, een landgoed aan de bloeiende benedictijnenabdij van Affligem om er een kloostergemeenschap te vestigen die zou bidden voor het zielenheil van hemzelf en zijn verwanten. Van de monniken werd ook verwacht dat ze de wilde natuur tot vruchtbare grond zouden bewerken. In de schenkingsoorkonde werd dit domein Fliderbeca genoemd, verwijzend naar een kleine beek die er vloeide. Godfried verleende met zijn schenking ook alle mogelijke vrijstellingen en stond het vrije gebruik toe van bossen, weiden en waters in de omgeving opdat de nieuwe stichting zich onder de beste materiële omstandigheden kon ontwikkelen.

Het domein Vlierbeek omvatte meer dan het gebied dat weldra door de kloostermuren zou worden omsloten. Het vormde een grote driehoek waarvan de vorm nog steeds in het landschap herkenbaar blijft. Er stond een kapel toegewijd aan de Heilige Medardus, een bisschop van Noyon uit de 6de eeuw. Aansluitend bij het landgoed ontwikkelden zich spoedig enige woonkernen. In 1156 was er al sprake van het gehucht Schoor. Dit strekte zich uit langs de flanken van de Schoorbergh (het huidige Schoolbergen).

Een document uit de 14de eeuw vernoemt de plaats Huffel (de omgeving van het huidige Gemeenteplein, ook Heffel genoemd). De Pleen of Plyne (de Plein) wordt voor het eerst vermeld in 1597. Tussen het beschreven driehoekige domein en de Kesselberg, die reeds als dusdanig genoemd wordt in een document van 1251, ontstond het gehucht Kessel, nu nog bekend als Beneden-Kessel.

Wat dit concreet betekende leert een telling van 1598: Huffel omvatte 12 huizen en 4 hoeven; op de Plein bevonden zich 7 woonsten en 1 pachthof; Schoor telde 10 woningen waaronder 3 hoeven. Kessel was het dichtst bewoond met 25 huizen, waaronder 11 pachthoven en een herberg.