Menu  |  Nieuws  |  Ligging  |  Over deze site  |  Contact  |  Logo  

© foto: Jan Crab

Nieuws

Moeder Lippens op de Kesselberg

Op Internationale Vrouwendag willen we graag Suzanne Lippens in de kijker plaatsen. Je zou niet meteen vermoeden dat er een link bestaat tussen deze markante dame uit Knokke-Heist - moeder van de pas overleden burgemeester Leopold Lippens - en Vlierbeek.1 Toch deed een unieke gebeurtenis op 23 januari 1930 de jonge juffrouw Lippens naar nergens minder dan de Kesselberg afzakken. Foto 1: Suzanne Lippens op een zweefvliegtuig, type Sabca Junior. Vliegveld Haren-Evere. 1931. © Jacques Hersleven, KIK-IRPA, Brussel (België). Dochter uit een roemrijk geslacht Suzanne Lippens werd begin 20ste eeuw in Gent geboren, op 25 mei 1903 om precies te zijn. Ze was de oudste dochter van Maurice August Lippens en Madeleine Peltzer en behoorde tot een geslacht waarvan de naam reeds lang in de Belgische geschiedenisboeken gegrift staat. Suzanne’s vader was immers een gekend liberaal politicus, gouverneur van Oost-Vlaanderen, gouverneur-generaal ook van voormalig Belgisch Congo en tevens minister in opeenvolgende regeringen. In 1921 werdMaurice August Lippens bovendien in de adelstand opgenomen, waarna hij in 1936 de persoonlijke titel van graaf verkreeg. In datzelfde jaar huwde Suzanne met haar achterneef Léon Lippens, die vanaf 1947 tot 1966 het burgemeestersambt van Knokke op zich zou nemen en de grondlegger was van natuurreservaat het Zwin. Samen kregen ze vier kinderen: Mary (1937), Elisabeth (1939), Leopold (1941) en Maurice (1943). Net als hun vader en grootvader zouden ook Leopold (eerst als schepen en nadien als burgemeester van Knokke-Heist) en Maurice (als voorzitter van de Fortis-groep) tijdens hun loopbaan al snel op de publieke voorgrond treden. Vlieglessen in het geniep Vandaag willen we echter Suzanne Lippens even uit de schaduw halen van deze heren uit het geslacht Lippens. Suzanne – of Suzy zoals ze ook wel genoemd werd - was immers een zeer markante dame. Van jongs af aan ontpopte ze zich tot een sportieve vrouw en ging ze een avontuurlijke uitdaging niet snel uit de weg. Ook de fascinatie voor de vliegkunst, die ze al op zeer jonge leeftijd opdeed, zou haar nooit meer loslaten. In 1927 besloot ze daarom lessen motorvliegen te gaan volgen, in die tijd eerder ongewoon voor een dame. Stiekem schreef ze zich in bij de vliegschool van Jean Stampe in Deurne.2 Toen haar vader hierachter kwam, was hij in eerste instantie zeer boos op zijn dochter, bang immers dat haar iets zou overkomen. Suzanne wist hem echter te overreden en al gauw werd hij haar ware steun en toeverlaat. Op 28 juni 1928 behaalde juffrouw Lippens dan ook als eerste vrouw in België het vliegbrevet van amateur-piloot voor motorvliegtuigen. Maar niet enkel motorvliegtuigen intrigeerden Suzanne. Ook de opkomende zweefvliegsport fascineerde haar mateloos. Ze trok daarom naar de zweefvliegschool op de Wasserkuppe3 in Duitsland - destijds het Mekka van de zweefvliegerij - en volgde er les. Hier leerde ze Wolf Hirth, zweefvliegpionier en zweefvliegtuigontwerper, kennen. Het is onder meer dankzij dochter en vader Lippens dat Wolf Hirth, met intussen de nodige faam in het wereldje van het zweefvliegen, op 23 januari 1930 te gast was op de Kesselberg. Foto 2: Het vliegbrevet van amateur-piloot voor motorvliegtuigen met nummer 170 uitgereikt door de Koninklijke Belgische Aero-Club. © Schmelzer, B. (2010). Zweefvliegen in Vlaanderen. Een fascinerend avontuur in stilte. Pagina 57. Archief familie Lippens. Foto 3: Suzanne Lippens, klaar om samen met haar vader naar Engeland te vliegen waar ze de Schneider Cup Race zullen bijwonen. 5 september 1929. © https://www.akg-images.co.uk/ Foto 4: De aankomst van Wolf Hirth werd met een telegram bevestigd. © Schmelzer, B. (2010). Zweefvliegen in Vlaanderen. Een fascinerend avontuur in stilte. Pagina 15. Archief familie Lippens. De Kesselberg, als uitverkoren plaats voor zweefvliegen in België In dat jaar – 1930 dus - ondernam Wolf Hirth immers een wereldtournee. Hiermee wou hij de ontwikkeling van het zweefvliegen promoten en de mogelijkheden van deze nieuwe sport demonstreren. Suzanne Lippens nodigde Hirth uit om ook in ons land een demonstratie te komen geven. Dit was echter de periode waarin de kennis van het fenomeen thermiek4 nog in haar kinderschoenen stond. Daarom vlogen de piloten bij voorkeur heen en weer langs een helling, want met de hellingstijgwind4 was men toen wel al goed vertrouwd. Het kwam er dus op aan een geschikte plaats te kiezen in België, die ook voldoende centraal gelegen was. Zo konden de initiatiefnemers rekenen op een maximum aan belangstellenden. Onze eigenste Kesselberg beantwoordde het meest aan de gestelde eisen. Het was op de helling van deze langgerekte heuvel dat Wolf Hirth op 23 januari 1930 dan ook een vlucht kwam uitvoeren. Niet alleen Suzanne Lippens keek die dag gespannen toe. Een grote menigte nieuwsgierigen was immers toegestroomd, onder wie heel wat burgerlijke en militaire autoriteiten en vele professoren en studenten van de (toen Franstalige) UCL (Universitas Catholica Lovaniensis). Onder perfecte weersomstandigheden – er stond die dag een krachtige wind met een windkracht van maar liefst 11 meter per seconde - werd het zweefvliegtoestel de lucht ingetrokken. Hier kwam de nodige spierkracht van pas. Vooraan de neus van het vliegtuig was er immers een trekhaak voorzien, waaraan het midden van een elastische rubberkabel - de zogenaamde sandow - bevestigd werd. Enkele gespierde mannen hielden het toestel achteraan vast met een kort stuk touw, dat aan de staart hing. Vooraan namen twee groepen trekkers de uiteinden van de sandow ter hand. Nu een dertigtal stappen zijwaarts en voorwaarts marcheren - zodat de sandow in een V-vorm kwam te liggen - en dan lopen tot de rubberkabel de grens van de tractie bereikt had. Iemand van het team achteraan riep: “Los!”. En daar ging hij… Het zweefvliegtuig werd vooruit gekatapulteerd en de sandow viel van de trekhaak. Hirth bleef precies 1 uur 3 minuten en 5 seconden in de lucht en brak daarmee een Belgisch duurrecord! Deze vlucht wekte niet enkel bij Suzanne Lippens enorm veel enthousiasme, maar was eigenlijk de katalysator voor het ontstaan van de eerste zweefvliegclubs in België, waaronder die van Leuven. Het Belgisch maandblad "La Conquête de l'Air", tevens oudste luchtvaarttijdschrift ter wereld, blokletterde zelfs: "Zweefvliegen is mogelijk in België!" Foto 5: Poserend voor het zweefvliegtuig van Wolf Hirth van links naar rechts: Luitenant Maurice Damblon (de eerste Belgische recordhouder in het zweefvliegen met een vlucht van 35 minuten en 4 seconden op 26 december 1924), Jacques Ledure (piloot en autocoureur), de Duitse toppiloot Wolf Hirth, burggraaf Max Vilain XIIII (piloot), juffrouw Suzanne Lippens met haar hondje Moke (dat haar steeds vergezelde) en majoor Albert Massaux (voormalig wereldrecordhouder in het zweefvliegen met een vlucht van 10 uur, 19 minuten en 43 seconden op 26 juli 1925). © La Conquête de l’Air, 26ste jaargang, 1930. Foto 6: Een provisorische maaltijd, maar toch lekker, dankzij de dames die eraan gedacht hadden boterhammen mee te nemen naar de Kesselberg. Van links naar rechts: kolonel Smeyers (die die dag door niets zal worden tegengehouden in zijn taak van tijdopnemer), Victor Boin (hoofdredacteur van het maandblad La Conquête de l’Air en voormalig olympisch atleet), mevrouw Albert Marchal, juffrouw Suzanne Lippens en majoor Albert Massaux. © La Conquête de l’Air, 26ste jaargang, 1930. Foto 7: Het zweefvliegtuig van Hirth werd gelanceerd met behulp van een sandow. © Schmelzer, B. (2010). Zweefvliegen in Vlaanderen. Een fascinerend avontuur in stilte. Pagina 192. Foto 8: Enkele studenten van de universiteit van Leuven zorgen voor het terugbrengen van het zweefvliegtuig naar zijn startpunt. © La Conquête de l’Air, 26ste jaargang, 1930. Foto 9: Groepsfoto voor het zweefvliegtuig nadat het Belgisch record zweefvliegen was gebroken. Van links naar rechts: piloot Wolf Hirth, zijn mecanicien, majoor Massaux en Victor Boin. © La Conquête de l’Air, 26ste jaargang, 1930. Een markante dame, die de weg baande Ook Suzanne Lippens kwam voor de Tweede Wereldoorlog nog herhaaldelijk in de pers met bijzondere luchtvaartprestaties – zowel in het motorvliegen als het zweefvliegen. Ze brak immers het ene record na het andere. Zo behaalde ze als eerste landgenote op 10 mei 1930 haar C-brevet5 zweefvliegen op de Wasserkuppe en landde ze in de zomer van datzelfde jaar als eerste vrouwelijke pilote met haar hemelsblauwe motorvliegtuig, type Gipsy-Moth, op het pas aangelegde vliegveld van Knokke-Zoute.6 Op 28 augustus 1930 vestigde Suzanne bovendien een Belgisch record toen ze met haar motorvliegtuig “Mop” als eerste dame alleen het Kanaal overvloog, een twee uur durende vlucht van Cornwall in Engeland naar het Zoute. Nog geen twee maanden later, op 14 oktober 1930, zette juffrouw Lippens in Folkestone (Engeland) ook het vrouwelijke wereldrecord zweefvliegen op haar naam en dit met een vlucht van 35 minuten. Slechts enkele maanden later, op 24 mei 1931, verbeterde ze in Brighton (Engeland) haar eigen record alweer door 1 uur en 21 minuten in de lucht te blijven. Ook voor koning Albert I bleven deze prestaties niet onopgemerkt. Als blijk van waardering bevorderde hij de jonge dame in 1931 tot Ridder in de Leopoldsorde. In 1934 haalde Suzanne opnieuw de krantenkoppen. M. de Dardel, een Zweeds minister die in België verbleef, ontving dat jaar slecht nieuws over de gezondheid van zijn zoon. Hij wou dan ook zo snel mogelijk terug naar Stockholm. Met de trein of de wagen zou de rit al gauw zo’n zesendertig uren geduurd hebben, maar juffrouw Lippens stelde voor hem met haar privévliegtuig over te vliegen.7 Zo legde ze op 17 april 1934 als eerste pilote het traject Brussel-Stockholm in slechts 7 uur en 30 minuten af. “En dan nog wel met een dame als piloot”, zo schreef het Limburgsch Dagblad. Dat Suzanne Lippens de weg baande voor heel wat dames na haar, is niet overdreven! Foto 10: Suzanne’s Duitse zweefvliegbrevet met vermelding van haar C-vlucht. © Schmelzer, B. (2010). Zweefvliegen in Vlaanderen. Een fascinerend avontuur in stilte. Pagina 59. - Archief familie Lippens. Foto 11: Suzanne landt in 1930 als eerste vrouwelijke pilote op het vliegveld van Knokke-Zoute. Rechts achter het toestel haar vader, Maurice August Lippens, met zijn regenjas op de arm. © Devroe, C. (1986). Luchtvaart en golf te Knokke-Zoute. Foto 12: Suzanne in haar zweefvliegtuig, type Professor. Hier in 1932 in Dunstable (Engeland). Het was ook met dit toestel dat ze in Folkestone en Brighton de records op haar naam wist te zetten. “Sprongetjes” op de Leuvense Philipssite Als pionier van het zweefvliegen in België, hield Suzanne ook spreekbeurten in alle grote steden van het land, met als doel de zweefvliegsport te promoten. Haar inspanningen leverden resultaten op: er werden zweefvliegclubs opgericht in Antwerpen, Knokke, Brussel, Luik, Gent, Charleroi en Verviers. Maar ook in Leuven werd in 1932 een eerste zweefvliegclub gesticht. Enkele studenten van de Leuvense universiteit, die de demonstratie op de Kesselberg bijgewoond hadden, waren immers laaiend enthousiast over deze nieuwe vliegsport. Ze vatten daarom het plan op om ook in Leuven een club op te richten. Onder hen ingenieursstudent André Goethals, tevens lid van de "Section Aéronautique Universitaire de Louvain" (Universitaire Luchtvaart Afdeling Leuven). In die hoedanigheid, had Goethals eerder ook mee voor de logistieke ondersteuning van de zweefvlucht op de Kesselberg gezorgd. De talrijke contacten die hij in die periode met Suzanne Lippens en Wolf Hirth had, kwamen hem – nu twee jaar later - zeker van pas. De Leuvense studenten konden bij de oprichting van hun zweefvliegclub immers rekenen op de hulp van juffrouw Lippens. Begin januari 1932 zag de Leuvense zweefvliegclub de “Union Universitaire Louvaniste de Vol à Voile” of kortweg UULVV, dan ook het levenslicht.8 Als voortrekker schreef André Goethals het voorzitterschap op zijn naam. Voor de aankoop van hun eerste zwever van het type Kassel-12, die in die dagen rond de 6.000 BEF kostte, waren de clubleden op zoek gegaan naar een sponsor. Uiteindelijk konden ze de tabaksfabrikant Vander Elst hiertoe bewegen. Dat de Leuvense Kassel-12 de naam “Miss Belga” kreeg, was dus niet geheel toevallig. Het toestel kwam per trein vanuit Duitsland aan om vervolgens door de studenten van het station naar de Parkpoort gedragen te worden. Daar stelde een vriendelijke boer een schuur ter beschikking. Probeer het je eens voor te stellen! Op 20 januari 1932 werd het toestel feestelijk ingewijd door monseigneur Ladeuze, rector van de Leuvense universiteit. Ook Suzanne Lippens, even enthousiast als altijd, was van de partij. Zij kreeg de eer de gloednieuwe Kassel-12 te dopen en officieel in te vliegen. Wat trouwens met de jaren in de vergetelheid geraakte, is dat de huidige Philipssite dé plek was waar alles zich destijds afspeelde! Op dit voormalig militair oefenterrein bij de Parkpoort - waar in 1929 door Philips ook al drie houten productieloodsen en enkele voorlopige woonbarakken voor Nederlandse personeelsleden gebouwd werden - vonden immers de vliegactiviteiten van de Leuvense club plaats. Een twaalftal studenten schreef zich in. Het lidgeld werd bewust democratisch gehouden en zij die geen geld hadden, hoefden zelfs niets te betalen. De eerste "sprongetjes" werden gemaakt onder leiding van een instructeur, Jean de Wouters d'Oplinter. Men wou immers het risico niet lopen de kostbare Kassel-12 meteen te beschadigen. De Leuvense clubleden bouwden al snel een aanhangwagen voor hun zwever. Na twee maanden geoefend te hebben op het militair oefenplein, besloot de club met Pasen 1932 deel te nemen aan het tweede nationaal zweefvliegkamp te Hébronval. In totaal telde men eenentachtig deelnemers. Onze Leuvense vliegclub was aanwezig met acht studenten en deed het helemaal niet slecht, want alle acht behaalden hun A-brevet en vijf van hen zelfs een eerste kwalificatie voor het B-brevet. Er vielen jammer genoeg ook brokken: de Leuvense Kassel-12 geraakte zwaar beschadigd tijdens een onvoorziene landing tussen de bomen. De piloot kwam er gelukkig met de schrik van af. Na dit enthousiaste en veelbelovende begin zwakte de belangstelling voor het zweefvliegen wat af: het versleuren van de toestellen was immers uiterst vermoeiend. In 1934 fusioneert deze eerste Leuvense club met "Les Ailes Wavriennes".9 Foto 13: Met het traditionele stukslaan van een fles champagne op de neus van het vliegtuig, doopte Suzanne in 1931 de zwever, type Sabca Junior, met de naam VOLCEP. Deze gebeurtenis vond plaats op het vliegveld van Haren-Evere. Het gaat hier om het zweefvliegtuig van de Brusselse zweefvliegclub van de studenten van de “Facultés Universitaires de Saint-Louis”. Zij vlogen eerst in Zellik, maar gaven nadien de voorkeur aan het militair oefenterrein aan de Parkpoort in Leuven. © Jacques Hersleven, KIK-IRPA, Brussel (België). Foto 14: Leuven vanuit de lucht rond het jaar 1920. Rechtsboven is het station te zien, in het midden beneden de Parkpoort. Het militair oefenterrein is de grote open vlakte in de rechterbenedenhoek. © Leuven Weleer, Deel 6, Op de Westhelling en langs de Vesten, Rik Uytterhoeven, 1990. Een minzame dame met een edele naam Suzanne’s huwelijk, in 1936, met haar achterneef Léon Lippens leek haar zin voor avontuur behoorlijk te temperen. De zorg voor het gezin met vier kleine kinderen vroeg nu haar volle aandacht. Na de Tweede Wereldoorlog, zette ze zich - als echtgenote van de burgemeester van Knokke – echter in voor diverse goede doelen zoals dierenwelzijn, kinderbescherming en gehandicaptenzorg. Na het overlijden van haar vader Maurice Lippens, in 1956, erfde ze samen met haar man de adellijke titels van gravin en graaf. Als vooraanstaande dame met een edele naam is ze echter steeds een minzame persoonlijkheid gebleven. Ze trok zich terug uit het publieke leven en genoot van het dagdagelijkse in Knokke-Heist, de stad waar de naam “Lippens” voor altijd mee verbonden zal blijven. De stad ook, waarvan gekend is dat Suzanne zich bijzonder voor de geschiedenis ervan interesseerde. Haar collectie oude prentkaarten is hiervan een levendig bewijs. Suzanne Lippens woonde tot aan haar dood in Knokke-Heist, waar ze op 20 januari 1985 op eenentachtigjarige leeftijd overleed. Een markante dame, die de Kesselberg in 1930 voor ons op de kaart zette! Foto 15: Suzanne met de pasgeboren Leopold in haar armen. 1941. © ORO Nieuws Knokke-Heist. Voetnoten: 1. De buurt rond de Kesselberg behoorde in 1930 nog officieel tot de parochie Vlierbeek. Pas op 1 juli 1942 immers werd in Holsbeek de nieuwe parochie Sint-Carolus opgericht. Deze parochie beslaat een deel van de gemeenten Holsbeek, Wilsele en Kessel-Lo (waardoor de parochie Vlierbeek dus een groot stuk diende af te staan). Op 4 april 1943 kreeg de parochie de toelating van het bisdom een nieuwe kerk te bouwen. De bouw van de nieuwe Sint-Caroluskerk zou echter heel wat jaren in beslag nemen. Pas op 23 augustus 1969 werd ze plechtig ingewijd. 2. Jean Stampe was een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog, die – gepassioneerd door de vliegkunst - na de oorlog een vliegschool te Deurne oprichtte. 3. De Wasserkuppe is met zijn 950 meter de hoogste top van het Rhöngebergte, Duitsland. Je vindt hier uitstekende hellingstijgwinden (zie 4). 4. Thermiek ontstaat wanneer de warmere lucht boven de grond opstijgt. Hierin kunnen zweefvliegtuigen al cirkelend hoogte winnen om met de gewonnen hoogte grote afstanden af te leggen. Hellingstijgwind ontstaat aan de loefzijde van duinen, heuvels en bergen. De wind wordt aan deze zijde gedwongen om tegen de helling op te stijgen. Door met een zweefvliegtuig in deze stijgende lucht te gaan vliegen, is het mogelijk om uren in de lucht te blijven. Een voorwaarde is dat de helling hoog genoeg is, de wind hard genoeg is en de windrichting ongeveer loodrecht op de helling staat. 5. Om het brevet A te behalen, moest de leerling een zweefvlucht in rechte lijn van minimum dertig seconden uitvoeren, gevolgd door een geslaagde landing. De proef voor het brevet B was al heel wat moeilijker: die bestond uit een zweefvlucht van ten minste één minuut met twee wendingen in een rechte hoek, gevolgd door een normale landing op de startplaats. Voor het brevet C was er een vlucht van minimum vijf minuten vereist, uitgevoerd op een hoogte die hoger was dan de startplaats. Naargelang het behaalde brevet mochten de leerlingen een badge dragen met erop één, twee of drie meeuwen tegen een blauwe achtergrond. 6. Het vliegveld te Knokke-Zoute werd onder impuls van Suzanne’s vader, Graaf Maurice Lippens, aangelegd. Begin 1929 vingen de grondwerken aan en op 18 juli 1930 vond de inhuldiging van de nieuwe luchthaven plaats. Momenteel is er, op een infobord na, niets meer dat doet vermoeden dat op een weiland naast het Zwin tot 1960 vliegactiviteit was en dat er zelfs internationale lijnvluchten werden georganiseerd. 7. De heer de Dardel was dankzij Suzanne Lippens die avond nog op tijd bij het ziekbed van zijn zoon. Kort daarna overleed hij. 8. De oprichtingsstatuten van de UULVV verschenen in het Belgisch Staatsblad op 14 januari 1932, net op tijd voor de inhuldiging van hun eerste zweefvliegtoestel. 9. André Goethals, de voortrekker van de club, is blijven vliegen. In de decennia die volgden, kocht hij zelf enkele vliegtuigen en nam hij deel aan verschillende Belgische kampioenschappen. ©Tekst: Heemkundige Kring Vlierbeek. Omdat je een geschiedkundig onderzoek nooit alleen voert, geven we hier graag de lijst van onze gebruikte bronnen weer. In het bijzonder willen we graag de heer Hartmut Koelman van de “LEUVENSE Universitaire AERO-CLUB vzw” en de heer Danny Lannoy van de “Heemkring Cnocke is hier” bedanken voor hun uitgebreide kennis, waarop we een beroep mochten doen.

» Ga verder

Dank je wel vrijwilligers!

Tijdens deze "Week van de Vrijwilliger" willen we graag de vele vrijwilligers, die zich belangeloos inzetten voor de Abdij van Vlierbeek en haar omgeving, in de bloemetjes zetten. Dank je wel voor jullie engagement. Samen hebben we heel veel moois te bieden! Op onze website vind je alle verenigingen terug die actief zijn op en rond onze abdijsite en dit op de pagina "Vlierbeek nu": https://www.abdijvanvlierbeek.be/vlierbeek-nu/ En vanzodra het weer mag, vind je in onze "Agenda" bovendien al het moois dat deze verenigingen je te bieden hebben op en rond onze abdijsite: https://www.abdijvanvlierbeek.be/agenda/ Dank je wel vrijwilligers! Jullie maken immers het verschil!

» Ga verder

Nieuwe data eerste communie en vormsel

Jammer genoeg kunnen ook dit jaar de eerstecommunie- en vormselvieringen niet op de geplande data in de lente doorgaan. Maar gelukkig mogen we samen met de kinderen nu al een nieuwe datum in onze agenda aanstippen! Zondag 12 september wordt de nieuwe datum voor de eerstecommunicantjes. Ook voor de jongens en meisjes die dit jaar hun vormsel vieren, werd ondertussen een nieuwe datum vastgelegd. Op zondag 3 oktober is het ook voor hen eindelijk zover. We kijken er alvast naar uit om de vele blije gezichtjes dit najaar in onze abdijkerk te mogen verwelkomen. ©Tekst: Abdij van Vlierbeek in samenwerking met de Gemeenschapsploeg Vlierbeek.

» Ga verder

Abdijtuinen geven hun geheimen prijs

Wanneer je deze dagen een wandeling op onze abdijsite maakt, zal je merken dat het tuinarcheologisch onderzoek er nog steeds volop loopt. Het archeologisch team van KUL archeoWorks graaft er immers in zowel de Parterretuin, de Eilandtuin als de Pandtuin een aantal proefputten en -sleuven. “Op die manier kunnen we de informatie, die het geofysisch onderzoek ons opleverde, verder verifiëren”, licht stadsarcheologe Lisa Van Ransbeeck graag toe. “Ook hopen we extra informatie zoals de ouderdom van archeologische sporen en de exacte diepte en bewaringstoestand van gelokaliseerde resten te verkrijgen”, vult ze aan. Nog even wat voorafging In de zomer van 2019 ging stadsarcheologe Lisa Van Ransbeeck met schop, truweel en borstel aan de slag om de fundering van de voormalige Tiendenschuur op onze abdijsite bloot te leggen. Maar daar bleef het sindsdien niet bij. Momenteel loopt er immers ook een tuinarcheologisch onderzoek op onze abdijsite. Dit onderzoek beoogt de geschiedenis van de abdijtuinen in kaart te brengen en zal vervolgens een inspiratiebron zijn voor de opwaardering van deze tuinen. In een eerste fase raadpleegden deskundigen diverse bronnen, zoals historische kaarten en luchtfoto’s, om zoveel mogelijk informatie te verzamelen over het landschap rondom de abdij. Afgelopen zomer voerden Timothy Saey (3DSoil) en John Nicholls (Archaeological Geophysics TARGET), in opdracht van Stad Leuven en het Archeologisch Projectbureau Aron, vervolgens een grondig geofysisch onderzoek uit op ons abdijdomein. Met behulp van hun gesofisticeerde bodemscantoestellen brachten zij de ondergrond van de abdijtuinen gedetailleerd in kaart. Archeologen laten in hun kaarten kijken Na afloop van het geofysisch onderzoek was het voor ons allen nieuwsgierig afwachten. Benieuwd uiteraard naar de bevindingen die het onderzoek ons zou opleveren. Achter de schermen zat het team van archeologen de afgelopen maanden echter niet stil. Uitgebreid vergeleken zij de resultaten van de verschillende bodemscans met elkaar én met de historische plannen en luchtfoto’s die ze eerder al raadpleegden. En dat leverde, zoals gehoopt, weer heel wat nieuwe informatie over de voormalige abdijtuinen op. Dankzij het geofysisch onderzoek konden verborgen elementen, zoals restanten van de historische tuinaanleg en funderingen van verdwenen gebouwen, alvast verder in kaart gebracht worden. Stadsarcheologe Lisa Van Ransbeeck geeft je een overzicht van deze resultaten en licht ook toe welke mysteries het archeologisch team van KUL archeoWorks, met het graven van bijkomende proefputten en – sleuven, alsnog beoogt op te lossen. De bodemscans bezorgden de archeologen immers al heel wat antwoorden, maar evenzeer wierpen de scangegevens weer nieuwe vragen op. Neerhof Een belangrijk deel van de landbouw- en industriegebouwen van de abdij, waaronder een grote Tiendenschuur, ging in de 19de eeuw jammer genoeg verloren. Op het Neerhof, net ten oosten van de verdwenen Tiendenschuur (nr. 1 op luchtfoto), geven de bodemscans nu aan dat er zich mogelijk sporen van een nog oudere schuur - opgetrokken uit hout - in de bodem bevinden. Ook bij het archeologisch onderzoek, dat in 2019 op deze locatie werd uitgevoerd, werden reeds sporen van houtbouw geregistreerd. Het gaat mogelijk om een schuur die dateert uit een vroege bouwfase, nog voordat de gekende stenen abdijgebouwen opgetrokken werden. Misschien wel de eerste schuur van de abdij? Parterretuin Sinds de heropbouw van de abdij rond 1642 tot aan de verkoop na de Franse Revolutie was op het perceel ten noorden van het huidige Nieuw Abtskwartier mogelijk een Parterretuin aangelegd.1 De kaart van Jacob Harrewijn, daterend uit 1716, geeft je een gedetailleerd beeld van hoe deze tuin er in de 18de eeuw wellicht bijlag.2 Het geheel was langs drie zijden omringd door een bakstenen muur met op elke hoek een tuinprieel. De noordzijde, waar een gracht liep, werd door een haag afgesloten. Hier werd het zicht op het omliggende landschap aldus behouden. Langs deze zijde was er dan ook op het einde van de parterretuin een belvedère. De kaart toont je tevens een zeer symmetrische opbouw, in Franse stijl, van deze nuts- en siertuin. Vier grote vierkanten – parterres – waarbinnen geometrische vormen in (Buxus)haagjes uitgevoerd werden, bepalen de invulling.3 In het midden van de tuin stond een grote geschoren obelisk. Tussen de muren en het pad, dat rondom liep, waren nog kleine vakjes voorzien waarin bloemen en sierheesters gekweekt werden. Deze sierlijke tuin waarvan de parterres doen denken aan borduurwerk, de zogenaamde “parterre de broderie”, overleefde de tand des tijds echter niet. Enkel een afgebroken stuk muur en een tuinprieeltje, nu heringericht als kapelletje, vinden we vandaag nog als stille getuigen van deze 18de eeuwse siertuin terug. Grote en kleine ingrepen brachten de tuin in de loop der jaren tot verval. De jeugd kreeg op het huidige grasveld sinds midden vorige eeuw vrij spel. En zo kennen we dit stuk grasland vandaag dan ook als het “Chiroveld”. Het geofysisch onderzoek bracht jammer genoeg geen restanten van de 18de eeuwse Parterretuin aan het licht. De sporen, die de bodemscans zichtbaar maakten, wijzen allen op restanten uit de 19de en 20ste eeuw. Zo werd duidelijk dat er zich centraal van oost naar west een pad met aan weerszijden bomen bevond (nr. 2 op de luchtfoto). Dit pad lijkt ook zichtbaar op een kaart van Frans Godfried Keuller uit de 19de eeuw (zie hieronder als illustratie bij de Eilandtuin). De archeologen hopen dat een proefput hier nu meer duidelijkheid kan brengen over wat voor soort pad het ging. Eind oktober 2020 werden verspreid op dit stuk terrein ook al enkele boringen geplaatst om alvast een beeld te krijgen van de bodemopbouw. Aan de zuidzijde van het huidige Chiroveld tonen de bodemscans een grote rechthoekige structuur. Deze kan mogelijk op de restanten van een gebouw wijzen (nr. 3 op de luchtfoto). Op de plaats van deze rechthoek werd afgelopen najaar al een kleine proefput gegraven. Archeologen vonden in deze put onder meer de tegels van een tennisveld. Dat hoeft echter niet te verbazen. De oudere generatie Vlierbekenaren herinnert zich immers nog dit sportterrein. Louis van Bauwel, die vanaf 1935 met zijn gezin in het naastgelegen Nieuw Abtskwartier woonde, liet het hier immers voor zijn echtgenote Maria van Bavel en zijn kroost aanleggen. Bij het graven van de proefput werd onder de tegels van het tennisveld een dik pakket teelaarde aangetroffen met daaronder weer een puinspoor en zelfs de restanten van een menselijk skelet. Verder onderzoek zal nu duidelijk maken of dit puinspoor te linken is aan een gebouw dat hier ooit stond en uit welke periode de menselijke resten dateren. De geschiedenis leert ons dat in 1809 en 1815, ten tijde van de Napoleontische oorlogen, in onze abdij telkenmale een militair hospitaal werd ingericht. Mogelijk stootten we hier dus op een graf van een overleden soldaat. De bodemscans wijzen bovendien op nog meer menselijke resten, die zich hier in bodemlaag zouden bevinden. Aan de noordoostzijde van het grasveld (nr. 4 op de luchtfoto) - aan de toegang naar de Eilandtuin (Abtstuin) - werd door de scantoestellen tenslotte een soort verharding of puin waargenomen met grote ronde gaten erin. Voorlopig hebben de onderzoekers geen idee wat het kan zijn. Mogelijk gaat het eerder om recentere elementen. Met een archeologisch proefputje hopen zij ook dit mysterie verder op te lossen. Eilandtuin (Abtstuin) De Eilandtuin of Abtstuin was eertijds een afgelegen tuindeel waarin de abt bezoek kon ontvangen of zich in stilte kon terugtrekken. Hier kon hij tot rust komen of kon hij gewoonweg genieten van het zicht op het uitgestrekte omliggende landschap vanaf zijn belvedère – waarvan nog enkele funderingsrestanten getuigen. Deze tuin was de enige plek op de abdijsite die niet ommuurd was. Enkel een klein beekje zorgde voor een scheiding tussen de abdij en de omgeving. De grachten van deze vroegere watertuin zijn vandaag nog duidelijk waar te nemen. De nog resterende uitgegroeide taxusstruiken, aan de rand van de omwalling, wijzen erop dat de tuin omhaagd was. De bodemscans uit het geofysisch onderzoek van de Eilandtuin maakten een oost-westgericht pad zichtbaar (nr. 5 op de luchtfoto). Op historische kaarten van onder meer Frans Godfried Keuller en P.J. De Rijcke vinden we dit pad ook terug als onderdeel van een kruisvorm (linksboven op de kaart, zie ook detail onderaan deze pagina). Een proefsleufje op deze locatie moet nu duidelijk maken of dit kruisende pad ook nog in de bodem terug te vinden is. Binnenkoer Oud Abtskwartier De gekasseide koer tussen het Oud Abtskwartier en de paardenstallen met aanpalend het koetshuis (nr. 6 op de luchtfoto) blijkt volgens de bodemscans nog verschillende archeologische muren en bijgebouwtjes te verbergen. Engelsche Hof De Engelsche Hof dankt zijn naam aan de aanleg van deze tuin in de 19de eeuw naar Engelse stijl. Deze stijl is duidelijk heel anders dan de Franse stijl, waarin de Parterretuin eerder werd aangelegd. Hier geen strakheid meer, maar veeleer onregelmatige vormen en natuurlijke rondingen. Op die manier trachtte men een soort van “ideaal landschap” palend aan het Nieuw Abtskwartier en het Gastenkwartier te creëren. Deze voortuin was ook dé manier bij uitstek om de nieuwste variëteiten van bomen, struiken en bloemen te tonen. De verzonken komvorm in het gazon is nog een stille getuige van deze ooit pittoreske siertuin. Een detail uit het plan van Frans Godfried Keuller uit 1857 schetst je alvast een mooi beeld van hoe de tuin in de 19de eeuw werd ontworpen. De bodemscans uit het geofysisch onderzoek maakten duidelijk dat de verschillende oude paadjes van de Engelsche Hof (nr. 7 op de luchtfoto) zich vandaag nog in de bodem kunnen bevinden. Pandtuin Tenslotte neemt Lisa Van Ransbeeck je nog mee naar de voormalige Pandtuin. Ooit was deze centrale tuin van het claustrum omgeven door de typische abdijgebouwen zoals de sacristie, de kapittelzaal, slaapzalen, een bibliotheek, een ziekenzaal en een refter - alle bestemd voor het gemeenschapsleven van de monniken en bereikbaar via een pandgang. Vandaag treffen we hier niet meer dan enkele restanten van het oude kloosterpand aan. Slechts een paar fragmenten van de voormalige pandgang zijn bewaard gebleven (nr. 8 op de luchtfoto). Deze kloostergang en de omliggende gebouwen vielen na de afschaffing van de abdij, gezien zij hun functie verloren hadden, immers onder de slopershamer. Met de belangrijke functie die erfgoed vandaag bekleedt, kunnen we het ons nog nauwelijks voorstellen, maar deze afbraak werd bewust door de toen nog jonge parochie Vlierbeek georganiseerd. Met de verkoop van het bouwmateriaal beoogde men wat inkomsten te genereren om de overgebleven gebouwen en de kerk te onderhouden. Opgravingen door de leden van de Heemkundige Kring Vlierbeek in de jaren ‘60 van de vorige eeuw brachten de funderingen van de afgebroken pandgang reeds aan het licht en lieten toe de vorm en uitgestrektheid van een groot gedeelte van de verdwenen gebouwen te reconstrueren. In het najaar van 2020 werden hier enkele bijkomende proefputten gegraven. Zo werden de funderingen van de 17de eeuwse noordvleugel blootgelegd, net als enkele oudere funderingen daaronder. Ook de kunstmatige heuvel met grote lindebomen4, die zich aan de zijde van de boomgaard bevindt, werd nader onderzocht. Deze heuvel werd vermoedelijk opgebouwd uit resterend puin van de verdwenen vleugel. Misschien werd hij destijds wel ingericht als typische 19de-eeuwse “rotstuin”, die – vergis je niet – toen vooral beplant werd met varens... Deze week onderzoeken archeologen hier nog een ander spoor van oude tuinaanleg. De bodemscans van het geofysisch onderzoek wijzen ons in de Pandtuin mogelijk op een centrale cirkel. Met een archeologisch proefputje hoopt het team ook dit mysterie verder op te lossen. 1. Bij de terugtrekking van Willem van Oranje op 25 september 1572 - nadat diens opstand tegen het Spaanse bestuur door de hertog van Alva heftig neergeslagen werd - eiste één van zijn legerkorpsen te Vlierbeek proviand. Abt Petrus Cools, trouw aan Spanje, weigerde echter kordaat. Hierop beval de legeroverste, kapitein Felix, de poorten open te breken, de abdij te plunderen en in brand te steken. De monniken konden over de omheiningsmuren klauteren en naar de refuge te Leuven vluchten. Voor de abdij was dit een ramp. Gebouwen en inboedel gingen nagenoeg volledig verloren. De abdij werd onder de ambtsperiode van abt Petrus Scribs in 1642 echter heropgebouwd. Op 27 maart 1642 om precies te zijn, keerde Scribs met zijn monniken naar Vlierbeek terug, zeventig jaar na het gedwongen vertrek. Een nieuwe lente, een nieuw begin. Scribs kreeg dan ook bij zijn tijdgenoten de eretitel van tweede stichter van de abdij. 2. Buiten de kaart van Jacob Harrewijn, daterend uit 1716, hebben we geen andere kaart of schilderij die de aanwezigheid van deze Parterretuin staaft. De invulling als groenten- en kruidentuin lijkt fundamenteler voor de werking van de Benedictijnenabdij, gezien de monniken in hun eigen levensonderhoud dienden te voorzien. De ets van de hand van Lucas Vorstermans de Jongere in Sanderus Chorgraphia sacra Brabantiae van 1659 geeft je in dat opzicht een realistischer beeld. Ook de kaart van landmeter Frans Godfried Keuller toont dat een siertuin in symmetrische Franse stijl in 1857 niet aanwezig was. Zou Jacob Harrewijn enkel een uitvergroting van de Pandtuin - die hoogstwaarschijnlijk wel in Franse stijl met parterres was aangelegd - beoogd hebben weer te geven? De geschiedenis is niet steeds glashelder. Misschien duikt er ooit wel een tot nu toe onbekende kaart of schilderij op die ons dit puzzelstuk helpt te vinden. Vooralsnog wordt er in het Masterplan Vlierbeek gekozen om deze tuin als “Parterretuin” aan te duiden. 3. Het kon hier evenzeer om lage haagjes van kruidige planten in plaats van Buxus gaan. Ook dit is een nog ontbrekend puzzelstukje in het historisch onderzoek naar de abdijtuinen van Vlierbeek. 4. De Lindebomen in de Pandtuin zijn niet bijzonder oud en dateren dus niet uit de bouwperiode van het voormalige kloosterpand. Vandaag zorgen ze echter voor het gesloten karakter dat hier ooit zo typisch was. Voor wie graag nog wat meer leest over het tuinarcheologisch onderzoek dat momenteel op onze abdijsite loopt, verwijzen we graag naar de volgende eerder verschenen artikels: -Tuinarcheologisch onderzoek dd 20-02-2020: https://www.abdijvanvlierbeek.be/archief/20022020-tuinarcheologisch-onderzoek-/ -Start geofysisch onderzoek dd 17-08-2020: https://www.abdijvanvlierbeek.be/nieuws/-start-geofysisch-onderzoek-/ -Nieuwe fase geofysisch onderzoek dd 04-09-2020: https://www.abdijvanvlierbeek.be/nieuws/nieuwe-fase-geofysisch-onderzoek-/ -Archeologie in de kijker dd 10-10-2010: https://www.abdijvanvlierbeek.be/nieuws/archeologie-in-de-kijker/ Foto 1: Stadsarcheologe Lisa Van Ransbeeck aan het werk bij onze Abdij van Vlierbeek. ©Jan Pollers. Foto 2: Luchtfoto van onze abdijsite. ©GDI-Vlaanderen. Foto 3: Kaart Jacob Harrewijn daterend uit 1716. ©Heemkundige Kring Vlierbeek. Foto's 4-5: In de Parterretuin werden in het najaar van 2020 enkele boringen geplaatst om alvast een beeld te krijgen van de bodemopbouw. Fieldschool studierichting Bachelor in de Archeologie – KU Leuven. ©Heemkundige Kring Vlierbeek – Abdij van Vlierbeek. Foto 6: In de Parterretuin werd begin november 2020 door KUL archeoWorks een proefput gegraven. Onder meer de restanten van een menselijke schedel kwamen zo aan het licht. ©Heemkundige Kring Vlierbeek – Abdij van Vlierbeek. Foto 7: Plan van Frans Godfried Keuller uit 1857. ©Heemkundige Kring Vlierbeek. Foto 8: Detail uit het plan van Frans Godfried Keuller uit 1857. ©Heemkundige Kring Vlierbeek. Foto 9: Opgravingen in de Pandtuin door KUL archeoWorks, onder leiding van Johan Claeys, eind oktober 2020. De funderingen van de 17de eeuwse noordvleugel werden hier blootgelegd. ©Heemkundige Kring Vlierbeek – Abdij van Vlierbeek. Foto 10: In het najaar van 2020 werd de kunstmatig aangelegde heuvel in de Pandtuin door het team van KUL archeoWorks onderzocht. ©Heemkundige Kring Vlierbeek – Abdij van Vlierbeek. ©Tekst: Heemkundige Kring Vlierbeek in samenwerking met stadsarcheologe Lisa Van Ransbeeck. Klik op de onderstaande foto's om deze te vergroten.

» Ga verder

Groenbeheer rijmt met erfgoed

Een samenwerkingsverband tussen de stad Leuven, de Kerkfabriek OLV Vlierbeek, Natuurpunt Vlierbeek en de Boomgaardwerking wil van de Abdij van Vlierbeek – nog meer dan nu al het geval is – een fijne, rustige en groene plek voor de buurt maken. Deze missie en visie past ook binnen het Masterplan Vlierbeek. In ons artikel van 13 december 2020 (https://www.abdijvanvlierbeek.be/nieuws/groenbeheer-op-onze-abdijsite/) kon je al lezen welke plannen er rond het groenbeheer op tafel liggen, met als doel het erfgoed op het abdijdomein te bewaren en te herstellen. Sinds begin deze maand steekt de stedelijke groendienst, samen met de vrijwilligers van Natuurpunt Vlierbeek, de handen uit de mouwen en ging alvast de eerste fase van het geplande groenbeheer op onze abdijsite van start. De kappingen die momenteel in onze boomgaard en Eilandtuin (Abtstuin) worden uitgevoerd, stellen tot einddoel de contouren van de abdijsite opnieuw scherp te definiëren. HOE? Toegankelijkheid van de Abtstuin verbeteren en de hofgracht herstellen. Ontwikkeling van de boomgaard ondersteunen. Abdijmuren restaureren. WAT? Abtstuin: Spontane opslag van wilg verwijderen, esdoorns en populier kappen, dood takhout verwijderen. Boomgaard: De kruinen van valse acacia’s snoeien, zodat het zonlicht er beter doorheen kan schijnen, ten gunste van de fruitbomen. Boomgaard: Valse acacia’s, meidoorn, esdoorn, eik en klimop die vlakbij en op de abdijmuren groeien, kappen en verwijderen ter voorbereiding van de restauratiewerken aan de abdijmuren. Levend erfgoed Met takhout, afkomstig uit de hofgracht van de Abtstuin, zal Natuurpunt Vlierbeek "mutsaards" maken. Mutsaards zijn samengebonden takkenbossen, die kunnen gebruikt worden om broodovens te stoken. Ook denken we verder na hoe we de planken van de gevelde eikenboom die langs de abdijmuur stond, mooi kunnen verwerken in een nuttige toepassing ergens op onze abdijsite. ©Tekst: Stad Leuven in samenwerking met Abdij van Vlierbeek. ©Foto: Abdij van Vlierbeek.

» Ga verder

Help padden de straat over

Naar jaarlijkse gewoonte zal binnenkort ook rondom onze abdijsite de "paddentrek" weer volop van start gaan. Begin deze maand plaatsten vrijwilligers van Natuurpunt Vlierbeek en KWB Kessel-Lo alvast een amfibieënscherm op de hoek van het Kloosterdijkpad en de Holsbeeksesteenweg. Hierdoor zullen de padden, kikkers en salamanders, die uit de vallei van Vlierbeek trekken, veilig overgezet kunnen worden naar het Provinciedomein. Opgelet: padden op (de) weg Amfibieën1 verblijven in de winter niet in het water, maar houden een winterslaap verstopt onder boomstronken of houtstapels, in de strooisellaag of in holen en gaten in de grond. In de loop van februari ontwaken ze en trekken ze instinctief naar beken, grachten, poelen en vijvers om er te paren en eitjes af te zetten. Padden en kikkers kunnen daarbij wel afstanden tot 1,5km afleggen. Ook rondom ons abdijdomein zijn er enkele plaatsen waar we deze “paddentrek” jaarlijks kunnen observeren. Temperatuur en luchtvochtigheid zijn bij vele amfibieën de belangrijkste factoren om met hun trek te starten. Ze zijn immers koudbloedig (poikilotherm) en voor hun lichaamstemperatuur dus afhankelijk van de temperatuur van hun omgeving. Bij een lage temperatuur zijn ze bijgevolg weinig beweeglijk. Amfibieën hebben ook een waterdoorlaatbare huid. Ze “drinken” geen water, maar krijgen water binnen via hun huid. Bovendien halen amfibieën niet enkel zuurstof uit de lucht via hun longen, maar ademen ze ook door hun huid (huidademhaling). Daarom is het belangrijk dat ze hun huid vochtig houden, anders kan de zuurstof er niet gemakkelijk doorheen. Avonden met (mot)regen genieten dus de voorkeur om “op pad” te gaan. Bij onze inheemse amfibieën loopt de biologische wekker dan ook af na de eerste buien met hogere avondtemperaturen (vanaf 7°C en geen grondvorst). Doorgaans gebeurt dit in de tweede of derde week van februari. Door de stevige winterprik van afgelopen week, zal de trek dit jaar echter iets later op gang komen. De piek waarbij de dieren massaal trekken valt meestal in de tweede of derde week van maart. Begin april valt alles dan weer stil. Leuk om weten is dat bij padden en kikkers de mannetjes hun trek naar de voortplantingspoelen vroeger starten dan de vrouwtjes, maar ze doen er langer over. Ze stoppen namelijk onderweg om een partner te zoeken. Vrouwtjes - die groter worden dan de mannetjes en ook herkenbaar zijn aan hun opgezwollen buik vol met eitjes - starten later, maar treuzelen minder. Op warmere avonden kan je zien hoe de mannetjes met tientallen op open, vlakke plaatsen zitten te wachten op de passerende vrouwtjes. Wanneer ze een vrouwtje vinden, grijpen ze met hun sterk gespierde voorpoten haar lichaam vast in de paargreep (amplexus) en laten zich zo meevoeren naar de voortplantingspoel.2 Deze paardrift wil ook wel eens tot vergissingen leiden. Het gebeurt dus wel dat een bruine kikker meelift op een pad of andersom. Ook kluwen bestaande uit meer dan twee dieren is niet uitzonderlijk. Het gedrag van trekkende salamanders is vergelijkbaar met dat van padden en kikkers, maar de dieren trekken alleen en vormen pas koppeltjes wanneer ze het water bereikt hebben. De meeste amfibieën zijn schemer- en nachtdieren, en ook de trek vindt enkel ’s avonds en ’s nachts plaats. Tijdens hun tocht moeten ze vaak een straat of een weg oversteken. Zo zijn de Holsbeeksesteenweg, de Schoolbergenstraat, de Boskouter, de Martellekensweg, de Groddeweg en de Slangenstraat steeds weer drukke oversteekplaatsen rondom onze abdijsite. Jammer genoeg dragen de dieren geen fluo vestjes om veilig de weg over te steken en vallen er dus jaarlijks heel wat verkeersslachtoffers. De eerste boodschap is dus extra oplettend te zijn aan de belangrijkste trekplaatsen en er vooral traag te rijden, dit zowel in het belang van de amfibieën3 als van de vrijwilligers die hier een handje toesteken! Paddenoverzetacties Ook dit jaar zetten Natuurpunt Vlierbeek en KWB Kessel-Lo, in samenwerking met Stad Leuven en Provincie Vlaams-Brabant, opnieuw een actie op touw om padden, kikkers en salamanders in onze buurt veilig de weg over te helpen. Waar de meeste slachtoffers vallen plaatsen ze in de berm een scherm (in totaal zo’n 50 cm hoog) met daarachter ingegraven emmers om de dieren op te vangen, zoals eerder deze maand op de hoek van het Kloosterdijkpad en de Holsbeeksesteenweg al gebeurde. Gedurende de trekperiode (van half februari tot eind maart) gaan ze dan elke avond en ochtend met vrijwilligers de amfibieën, die in de emmers gevallen zijn, op een veilige manier naar de overkant van de weg brengen. Daar worden ze weer losgelaten zodat ze hun reis naar de poel of gracht veilig kunnen voortzetten. Ook op plaatsen waar geen scherm wordt geplaatst zoals op de Schoolbergenstraat, de Boskouter, de Martellekensweg, de Groddeweg en de Slangenstraat steken de vrijwilligers graag een helpende hand toe. Ook daar houden ze raapacties waarbij ze op zoek gaan naar amfibieën om hen een veilige oversteek te garanderen. Soorten ontdekken Paddenoverzetacties leveren ook een goede bijdrage aan het in kaart brengen van de amfibieënsoorten in Vlaanderen. Sinds 2000 worden alle overgezette (en platgereden) amfibieën immers keurig bijgehouden op de website van Hyla, de reptielen- en amfibieënwerkgroep van Natuurpunt. Af en toe worden er tijdens de overzetacties zeldzame soorten ontdekt in nieuwe regio's. Wie weet ontdekken we de volgende jaren dus ook wel kamsalamanders in Vlierbeek! Dat was de afgelopen jaren jammer genoeg nog niet het geval. Andere soorten vinden we wel terug in Vlierbeek. Sinds de start - in 2018 - van de gecoördineerde paddenoverzetactie van Natuurpunt Vlierbeek en KWB Kessel-Lo, werden ook de cijfers uit Vlierbeek (voornamelijk Schoolbergenstraat en Groddeweg) jaarlijks opgetekend.4 Hoewel het niet om volledige cijfers gaat, geven ze ons wel een goed beeld van de soorten die momenteel in de vallei van Vlierbeek voorkomen: de gewone pad (Bufo bufo - Bb), de bruine kikker (Rana temporaria - Rt), groene kikkers (Rana esculenta synklepton - Res)5, de alpenwatersalamander (Mesotriton alpestris - Ta) en de kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris - Tv). Overgezet (Heentrek) Slachtoffers (Heentrek) Jaar Bb Rt Res Ta Tv Rsp Bb Rt Res Ta Tv Rsp 2018 34 37 36 1 40 2019 110 40 4 1 15 21 15 2020 166 25 3 4 4 50 3 3 1 Rsp: Kikkers niet gedetermineerd. Dankzij deze gerichte inventarisatie verzamelt Natuurpunt ook goede informatie over de poelen, vijvers en sloten waar de soorten zich voortplanten. Die informatie is dan weer nuttig om de soorten beter te kunnen beschermen. Op de website van Natuurpunt kan je alvast heel wat informatie over de verschillende amfibieënsoorten vinden: https://www.natuurpunt.be/pagina/amfibie%C3%ABn-en-reptielen-herkennen Wat na de paddenoverzet? Nadat de eitjes werden afgezet en bevrucht, trekken de eerste dieren meteen terug weg naar hun zomerbiotoop, waar ze de rest van het voorjaar en zomer verblijven en zich vol eten. Amfibieën eten immers pas nadat ze gepaard hebben, alhoewel ze gedurende de hele periode van hun winterslaap niet gegeten hebben. Vooral de vrouwtjespadden zijn er snel bij om het voortplantingswater te verlaten. De mannetjespadden blijven - in de hoop dat er nog verlaatte vrouwtjes bij het water aankomen - gewoonlijk enkele weken langer in het water en trekken eind april, begin mei ook naar hun zomerleefgebied. Deze trek gebeurt dus meer gespreid in de tijd. Vandaar dat de helpende hand van de paddenoverzetters hier minder cruciaal is (het aantal verkeersslachtoffers ligt immers veel lager dan bij de eerste massale trek). Kikkers hebben een terugtrekperiode die min of meer gelijk valt met die van de padden, maar salamanders blijven vaak het hele voorjaar - soms tot in de zomer - in het water en trekken meestal pas vanaf eind april, begin mei naar hun zomerbiotoop. Ergens in juli of augustus zien we het gevolg van de paddentrek: honderden padjes, kikkertjes en salamandertjes - kleine kruipertjes van amper één à twee centimeter groot - komen na een lange periode van droogte uit het water. Dan is het op sommige plaatsen echt opletten: straten, terrasjes bij een tuinvijver of hooilanden rond de voortplantingspoelen kunnen op zulke momenten echt zwart zien van de amfibietjes. Omdat dit fenomeen zich vaak voordoet op een regenachtige avond, staat dit ook wel bekend als “paddenregen”. In het najaar trekken de amfibieën dan terug naar hun overwinteringsgebied en verdwijnen er voor enkele maanden opnieuw onder boomstronken, houtstapels, bladeren of onder de grond. Deze najaarstrek vertoont minder pieken dan de voorjaarstrek en gebeurt ook meer gespreid in de tijd. Zelf meedoen? Wil je graag helpen bij het overzetten van de amfibieën? Dat kan! Stuur dan een mailtje naar Philippe De Norre, coördinator van de overzetactie in Vlierbeek: philippedn@hotmail.com. Philippe geeft je graag uitleg op welke dagen en op welke plaatsen je kan helpen. En hij legt je bovendien graag uit hoe je het best te werk gaat. Ook de soort handschoenen (materiaal waaruit deze vervaardigd zijn) die je draagt, zijn immers cruciaal. Let ook op met restjes alcoholgel op je handen! Die producten zijn immers giftig voor de huid van de dieren. Zoals hierboven reeds beschreven, halen amfibieën de zuurstof uit de lucht via hun longen, maar ademen ze ook door hun huid (huidademhaling). De alcohol in de handgels kan hun huid dus aantasten, waardoor ze dan in de problemen kunnen geraken. Trek er dus zeker niet op eigen houtje op uit. Hoe goed bedoeld het ook mag zijn, soms doe je immers meer kwaad dan goed! De overzetacties worden door Philippe ook corona-proof geregeld. Overzetteams van maximaal 4 volwassenen zullen worden samengesteld waarbij de nodige veilgheidsmaatregelen in acht worden genomen, zoals anderhalve meter afstand houden en mondmaskers dragen. Met het gezin padden, kikkers en salamanders gaan overzetten, is een aanrader: een leuke en leerrijke activiteit voor jong en oud(er)! Woon je in de buurt van een trekzone? Dan ontvang je binnenkort ook de folder van Natuurpunt “Help de pad de straat over” in je brievenbus. 1. De naam amfibie is afgeleid van het Griekse ἀμφί-βιος amphí-bios, wat dubbel-levend betekent. Dit verwijst naar de levenswijze van amfibieën: ze kunnen zowel in het water als op het land overleven. 2. Om zijn greep op het vrouwtje vol te houden, beschikt het mannetje over enkele speciale aanpassingen. Zo zijn de voorpoten van de mannetjes stevig gespierd en opvallend dikker dan de voorpoten van de vrouwtjes. Ook heeft het mannetje aan de duimen van zijn voorpoten speciale wrattige kussentjes, waarmee ze meer grip hebben op de gladde huid van het vrouwtje. Naast lichamelijke aanpassingen vertonen de mannetjes ook aangepast gedrag tijdens de trek en de paartijd. Zo trachten ze concurrenten van zich af te houden door met de achterpoten te schoppen. Mannetjes die door een seksegenoot gegrepen worden slaken een alarmkreet om de belager op zijn fout te wijzen. 3. Niet enkel de dieren die onder de wielen terechtkomen, worden gedood. Er vallen immers ook slachtoffers door de luchtverplaatsing die door voorbijrazend verkeer wordt veroorzaakt. Padden, kikkers en salamanders worden door het luchtdrukverschil omhoog geworpen en vliegen zo tegen de onderkant van de wagen. Pas je snelheid daarom aan tot maximaal 30/km per uur op wegen met amfibieën. Of maak even een omweg. Je spaart zo vele levens van padden, kikkers en salamanders. 4. De cijfers zijn niet volledig. Het gaat om een onderschatting en betreft vooral de overzetacties op de Schoolbergenstraat en de Groddeweg van 2018-2020. De Slangestraat wordt pas vanaf dit jaar opgenomen in de gecoördineerde overzetactie. Op de Holsbeeksesteenweg wordt dit jaar ook voor het eerst een amfibieënscherm opgesteld. Voordien zetten enkele buurtbewoners hier wel amfibieën over, maar gebeurde dit zonder officiële tellingen. 5. De groene kikker (Rana esculenta synklepton) is niet één soort maar een complex. Het groene kikker complex bestaat uit twee soorten: de meerkikker (grote groene kikker)(Pelophylax ridibundus) en de poelkikker (kleine groene kikker)(Pelophylax lessonae), die als ze paren hybriden kunnen vormen: de bastaardkikker (middelste groene kikker) (Pelophylax × esculentus). Foto 1: Overstekende pad. ©Shutterstock. Foto 2: Twee padden (Bufo bufo) in paargreep steken de weg over. ©Natuurpunt - Hugo Willocx. Foto 3: Het plaatsen van een amfibieënscherm door KWB Kessel-Lo en Natuurpunt Vlierbeek op de hoek van het Kloosterdijkpad en de Holsbeeksesteenweg. ©Philippe De Norre. Foto 4: Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris). ©Natuurpunt - Hugo Willocx. Foto 5: Bruine kikker (Rana temporaria). ©Natuurpunt - Hugo Willocx. ©Tekst: Abdij van Vlierbeek in samenwerking met KWB Kessel-Lo en Natuurpunt Vlierbeek.

» Ga verder

Bekijk al het nieuws

Agenda

15 mei 2021 – 16 mei 2021

Natuurpunt 20 jaar

» Ga verder

5 juni 2021 –  6 juni 2021

HKV: Open Kerkendagen – Onze-Lieve-Vrouwekerk

» Ga verder

Bekijk de volledige agenda

Abdij van Vlierbeek

De voormalige abdij van Vlierbeek is gelegen in het landelijke groene deel van de deelgemeente Kessel-Lo ten noordoosten van de stad Leuven in Vlaams-Brabant. Zeven eeuwen lang vormde de abdij het kader voor het dagelijks leven van de benedictijnenmonniken van Vlierbeek. Met het afschaffen van de kloosters maakte de Franse Revolutie een einde aan het kloosterleven.

 

De bezoekers van vandaag ontsnappen niet aan de bijzondere sfeer van de tuinen, de monumentale kerk en de merkwaardige kloostergebouwen. De site bekleedt een voorname plaats binnen de cultuur- en kunstgeschiedenis van het oude Brabant.

 

De abdij van Vlierbeek is het gedroomde eindpunt voor vele wandelaars en fietsers, een pleisterplaats voor passanten die op het terras van de herberg genieten van de gastvrijheid zoals die doorheen de eeuwen tot de taken van de abdij behoorde.


Vlierbeek is geen ruïne zonder leven. De abdij is nu het centrum van de parochie Onze-Lieve-Vrouw van Vlierbeek.

In en om de abdij leeft een bloeiende gemeenschap die een ontmoetingspunt wil uitbouwen rond het verhaal dat hier sinds 1125 geschreven is en nu wordt aangevuld op weg naar 2025, de viering van negenhonderd jaar abdij van Vlierbeek. Zie Vlierbeek nu.